Geschiedenis 

Oostrozebeke wordt doorgaans als de Mandelgemeente beschouwd omdat deze rivier als een slagader door het landschap stroomt. Het is een typische gemeente uit onze zandleemstreek, 1662 hectaren groot en met een inwonersaantal dat per 1 januari 2007 gestegen is tot 7435.
Omtrent het Prekeltische en Keltische verleden van de gemeente is nog maar weinig geweten. Enkele archeologische vondsten, o.m. genoteerd tijdens het graven van het kanaal Roeselare-Leie (1866), wezen op het bestaan van paalwoningen uit voorchristelijke tijden. In de zevende eeuw zouden Ierse en Engelse monniken tot deze streken zijn doorgedrongen. Hardnekkiger is de overlevering dat de heilige Amandus – naar wie een van de twee parochies in Oostrozebeke werd genoemd – de kerstening van Oostrozebeke heeft bewerkt.
In 1165 wordt Rosebecca voor het eerst in de bronnen opgenomen (waarvan het volledig zeker is dat Oostrozebeke wordt bedoeld). De naam stamt af van de Germaanse woorden “rausa” (riet) en “baki” (beek). Het prefix “oost” verschijnt voor het eerst in 1544; voordien werd het dorp met haar merkwaardige langgerekte vorm aangeduid met “Rosebeca supra Mandelam”, als onderscheid met “Rosebeca sicca” (Westrozebeke) en “Rosbeca” (Rozebeke, bij Oudenaarde). De vroegste geschreven bronnen voeren ons naar de elfde eeuw. In de jaren 1030 en1060 beschikt de abdis van de benedictijnerabdij van Montreuil-sur-Mer over het patronaatsrecht. Een eeuw later, in 1176, verkreeg een andere benedictijnerabdij, de Sint-Salvatorsabdij van Ename (bij Oudenaarde), dit recht en die behield het tot het einde van het Ancien Régime (1794/’95).
Op het einde van de twaalfde eeuw duikt het geslacht van Rosenbeca op. Het blijken de eerste heren van Roosbeke te zijn die tussen de elfde en de veertiende eeuw in Oostrozebeke de plak zwaaiden. Zij worden opgevolgd door de Halewijners (15de-16de eeuw) en nog later door het derde geslacht, de Plotho (zestiende eeuw tot einde Ancien Régime). Uiteraard dient hierbij verduidelijkt te worden dat deze drie “geslachten” ook rekening moesten houden met andere families. Dorpsgrenzen (parochiale grenzen) en grenzen van heerlijkheden vallen nu eenmaal niet samen.
Oostrozebeke is doorheen de eeuwen een landbouwgemeente geweest. De laatste eeuwen was bovendien vooral de vlasnijverheid ongemeen belangrijk, zodat men ook al eens van de “vlasgemeente” spreekt. Na opeenvolgende crises verminderde vanaf halverwege de vorige eeuw de invloed van het vlas maar zorgden Oostrozebekenaren voor een merkwaardig economisch verschijnsel, dat men doorgaans als “reconversie” aanduidt: spaanderplaten, plastic, e. d. kwamen in de plaats van het vroegere vlas. Economisch gezien bleef de gemeente meedraaien op het hoogste Vlaamse niveau, net zoals de buurgemeente Wielsbeke.
De moderne tijden deden het uitzicht van het oude Rozebeke teniet. De oude Sint-Amanduskerk in het centrum werd in 1935 in de as gelegd en vervangen door het huidige neogotische gebouw (1936). In 1942 kreeg ook het gehucht de Ginste het statuut van onafhankelijke parochie (Sint-Jozef); het godsgebouw kwam er in 1965-’66. De dorpskom onderging een metamorfose door het verdwijnen van talrijke eeuwen- of decenniaoude gebouwen zoals herbergen, winkeltjes en/of woonhuizen. In 1980 rees er een nieuw sportcentrum uit de grond (De Mandelmeersen); in de daaropvolgende jaren werden Gemeentehuis, Posterijen en Vredegerecht uitgebreid. Het gemeenschapscentrum O.C. De Mandelroos werd geopend in 1990. Later werd een gebouw voor de kinderopvang De Wiemkes en het jeugdhuis ’t Ipperste, en een nieuwe gemeentelijke bibliotheek ’t Kraaiennest gebouwd. Verder kwamen er een nieuw gemeenteplein, gloednieuwe wegen en extra parkeerruimtes.
